Reve



























































































Nader tot u
Abe de Vries


‘IK HEB EERBIEDIG GEWAG VAN HEM GEMAAKT’

Notities over de dichter Nico Verhoeven in het werk van Gerard Reve

Zonder Nico Verhoeven was de Nederlandse literatuur een van de mooist beschreven drankgelagen misgelopen. In Nader tot U schrijft Gerard Reve, toen nog Gerard Kornelis van het Reve, over een avond, begin oktober 1964 ten huize van ‘de dichter Nico V.’ in Greonterp, in het gezelschap van de ‘oude bard Gerard d. B.’ (Gerard den Brabander). De stevig drinkende, ‘bij vuur of open vlam vermoedelijk ontploffende dichtervorst’ was door Verhoeven uit Amsterdam meegevoerd om hem droog te leggen in zijn weekendhuisje op het Friese platteland.

De volgende dag konden bezoekers van Nico zijn zomerwoning de oude, moegeklonken zanger, rafelig als een zelfs voor de slacht te oud geworden hoen, in een leunstoel in de woonkamer zien zitten, waar hij afwisselend probeerde ons plaatselijk advertentieblad te ontcijferen en een sigaret te rollen, wat geen van beide lukte, want hij zag veel te dubbel, of soms zelfs alles op zijn kop, en zijn handen waren te gezwollen om verfijnde bewegingen mogelijk te maken. Zo was de eerste droge dag verlopen. Na vijf dagen op sap en melk kon hij al enigszins duidelijk zien, zich door het huis bewegen en samenhangende mededelingen doen, terwijl zijn oogleden al veel minder etterden. Zijn voeten echter waren nog steeds lelijk opgezet. (Nader tot U, p.42)

Reve prijst Verhoeven, die Den Brabander al vaker ‘uit de woestenij van staal en beton die grote stad heet’ had opgehaald om hem een kuur te laten ondergaan. De nu bijna vergeten dichter en de toen al wereldberoemde (in Nederland) schrijver houden zwaarmoedige betogen. Verhoeven vertelt dat hij op school zijn eigen vader als onderwijzer had gehad, en hoe hij in het laatste oorlogsjaar achter de linies gesneuvelde geallieerde soldaten begroef, jongens die hij ‘altijd met een afgesneden manlijkheid’ aantrof.
  Het is ook de avond dat Reve voor het eerst piekert over de Schone en Meedogenloze Jongen, die in zijn latere werk nog vaak zal terugkeren.

MATIGE RESPONS

Wie was Nicolaas Adrianus Verhoeven? In de jongste editie van de ‘Dikke Komrij’ komt hij niet voor. Niettemin heeft het Jaarboek van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde in de uitgave 1973-1974, na zijn dood, een lemma aan hem gewijd.
  Verhoeven werd op 20 augustus 1925 geboren in Vught in een rooms-katholieke onderwijzersfamilie. Na de oorlog verhuist hij met zijn vriendin, de schrijfster en beeldend kunstenares Truus Hagman (pseudoniem: Toyke de Wilde), naar Amsterdam en later naar Epe, waar hij op 8 oktober 1949 met haar in het huwelijk treedt. Dan al is hij toegetreden tot de redactie van het literaire tijdschrift Het Woord in Amsterdam, waarvan onder anderen Koos Schuur en Gerard Diels deel uitmaken. ‘Met de auteurs van dit tijdschrift deelde hij de associatieve en anti-intellectualistische tendens in zijn poëzie,’ schrijft G.J. van Bork op www.dbnl.org. Zijn eerste dichtbundel, Voorbijgang, verschijnt in 1946 bij De Bezige Bij. ‘Het zijn hermetische gedichten, waarvan de duisterheid niet in de laatste plaats wordt veroorzaakt door de onverwachte en zwaar geladen beeldspraak.’
  Verhoeven dicht over erotiek, verval, dood, religie. Een tijd lang krijgt hij een zekere erkenning. In 1955 wint hij de Literatuurprijs van de gemeente Hilvarenbeek, met Anton van Duinkerken in de jury. In 1962 publiceert hij nog een bundel samen met Hans Andreus en Simon Vinkenoog (Drie staat tot één). Maar begin jaren zestig raakt hij teleurgesteld door de uiteindelijk matige respons op zijn zware, symbolistische poëzie. Hij is dan gescheiden van zijn vrouw Toyke. Toch komt er nog een dichterlijke opleving, als hij in 1966 Judith Boer ontmoet, een beeldend kunstenares met wie hij in die jaren zogenoemde ‘printoezieën’ maakt: gedichten gecombineerd met tekeningen. In 1967 is er in Galerie Mokum in Amsterdam een tentoonstelling. Ook in dat jaar begint hij in Het Financieel Dagblad met een column over kunst in sociaal perspectief.
  Nico Verhoeven overlijdt op 3 februari 1974 in het ziekenhuis van Sneek aan de gevolgen van een hersenbloeding. Hij ligt in Bolsward begraven. De Bezige Bij geeft zijn Verzamelde gedichten uit in 1975; het jaar dat zijn ex-vrouw Toyke eenmalig een Nico Verhoeven-prijs uitschrijft. Later heeft de componist Rolf Knap nog gewerkt aan muziek op zijn gedichten. Nu, dertig jaar later, roert zich nog slechts een enkele bewonderaar, zoals de docent Mark Mastenbroek op diens internetsite: ‘Als je me vraagt wie de belangrijkste Nederlandse dichter van na de Tweede Wereldoorlog is, dan luidt het prompte antwoord: Verhoeven. Wat mij betreft is er geen twijfel mogelijk.’ Volgens Mastenbroek is Verhoeven vergeten omdat hij een religieus dichter was; vergeten vanwege ‘het feit dat hij in weerwil van zijn experimentele taalgebruik toch een spiritueel mensbeeld uitdroeg en vertegenwoordigde’.

ONDOENLIJKE MOEITE

Na Nader tot U komt Verhoeven in het werk van Reve nog maar sporadisch voor. Correspondentie met Verhoeven, zo die bestaat, is niet gepubliceerd. Maar Reve had zeker sympathie voor hem. In 1965, toen een ‘Comité Vrienden Gerard den Brabander Amsterdam’ iets wilde organiseren voor de verjaardag van Den Brabander en onder andere Reve had aangeschreven voor een bijdrage, reageerde deze woedend:

Ik ben geen vriend van Den Brabander, en ken hem slechts oppervlakkig, maar als men iets zou ondernemen om hem, op een of andere wijze, te helpen, dan zou men niet tevergeefs bij mij aankomen. Ik pas er echter voor, iets bij te dragen tot het welslagen van de gebruikelijke ‘heugelijke dag’, waarop zij, die de jubilaris in zijn eigen vuil laten verrekken, zich gratis kunnen bezatten en zichzelf weer eens een keer in het weldadige zonnetje van de blitslamp kunnen zetten.
De enige die zich aan Den Brabander zijn lot iets gelegen laat liggen, wel eens naar hem gaat kijken, van zijn eigen armoede eten voor hem koopt en toebereidt en soms de bijna ondoenlijke moeite op zich neemt om hem hierheen te slepen om hem weer enigszins op krachten te brengen - Nico Verhoeven - diens naam staat niet onder Uw missive, waarschijnlijk omdat hij niet artistiek genoeg en niet belangrijk genoeg is. Wel die van Theun de Vries, die inderdaad de moeite heeft genomen hem, tijdens zijn jongste verblijf in Nico zijn huis alhier, een in sierschrift geschreven ansichtkaart te sturen met onsmakelijke toespelingen op mijn woonachtigheid in dit dorp en op mijn seksuele geaardheid, zulks terwijl ik hem nimmer enig kwaad heb berokkend.
(Archief Reve 1961-1980, p. 175)

In Lieve jongens (1974) is er dan nog een scène waarin Reve vertelt hoe hij in het huis van Verhoeven in Greonterp, op een dag met uitzonderlijk hoog water, diens meubels in de woonkamer probeert te redden. Verhoeven was zeker 4,5 maand niet in Greonterp geweest, schrijft Reve. Hij drinkt van de ‘grafinkt’ uit een aangebroken fles wijn en krijgt een ondergangsvisioen: ‘hoe ik (..) uit het raam gekeken had naar de knotwilgen aan de rand van Nico zijn tuintje in het water in de late zon en één ogenblik gedacht had dat het misschien nu wel menens was geworden, en dat het water zou blijven stijgen tot boven de daken, bomen, torens en gebergten der hele aarde..’
  De nu op Farsk gepubliceerde prentbriefkaart bewijst eens te meer Reves zorg voor het zomerhuisje van Verhoeven wanneer deze in Amsterdam verbleef. (De prent van een Surinaams dorp met blote negerjongetjes lijkt al vooruit te wijzen naar latere ironische opmerkingen van de schrijver over het terugzenden van Surinaamse medelanders.) 
  Ook in Het Boek van Violet en Dood (1996) herinnert Reve zich Verhoeven als hij aan Greonterp terugdenkt. ‘Vlakbij, om de hoek dus, aan de doorlopende landweg, had de dichter Nico V. een soortgelijk huisje als ik. Hij is al vele jaren dood, maar ik heb eerbiedig gewag van hem gemaakt in mijn tweedelige romancyclus Op Weg Naar Het Einde / Nader Tot U, waar ik nog steeds achter sta.’
  De ‘Sarah’ die Reve zich vervolgens voor de geest roept – ‘een jonge vrouw die ik graag mocht’ - is in werkelijkheid Verhoevens toenmalige vriendin Judith Boer, tegenwoordig galeriehoudster in het Friese dorpje Huins, gelegen langs de weg van Leeuwarden naar Bolsward. Op een zomeravond in 1967 komt zij bij de volksschrijver langs, met haar drie zoontjes. Reve voelt zich een moment sterk tot haar aangetrokken:

Ze had fraaie, harde borstjes, en ik werd het atoom van een zeer bescheiden parfum gewaar, waardoor ik opeens moest denken aan het gruwelijk lot van mens en dier, van de gehele schepping zelfs, ja, van alles wat adem had. En opeens sloeg ik mijn armen om haar heen, trok haar tegen mij aan en kuste haar op haar wangen, haar ogen, haar oortjes en ook enige malen in haar hals. Neen, niet op haar mond, want dat vond ik tegenover de jongetjes ongepast, God weet waarom. Ik liet mijn hoofd even op haar schouders rusten. ‘God ontferme Zich over ons allen,’ stamelde ik hees.
(Het Boek van Violet en Dood, p. 116)

Wat volgt, is een ontroerende beschrijving van Reves fantasieën over de volgens hem aantrekkelijkste van de drie zoons, de middelste, en over de ontmoeting, veel later, die hij met Sarah had op het Damrak in Amsterdam, op een ‘winterdag van uitzonderlijk slecht, guur weder, vroeg invallende duisternis en zwiepende regenvlagen’, als Sarah hem vertelt van de zelfmoord van haar middelste zoon in Israël.

AAN DE NAGEDACHTENIS

In de brief van Reve aan Toyke en Judith Boer die hier is gepubliceerd, vraagt de schrijver om toestemming zijn boek Het lieve leven te mogen opdragen aan Verhoeven. Die werd gegeven; in 1974 kwam het uit met de opdracht ‘Aan de nagedachtenis van de dichter Nico Verhoeven † 3 februari 1974’.
  Over het feest dat op de kaart uit december 1964 wordt aangekondigd, vernemen wij elders dat het zeer geslaagd was. Op 20 december 1964 schrijft Reve aan Ludo Pieters dat ook hij welkom is: ‘Na Kerstmis, op Zondag de 27ste, ontvangen we smiddags het hele dorp plus de bewoners van een 15 tal omliggende hoeven, in totaal omtrent 80 man. Van elders uit het land komen misschien ook nog een man of tien. (Jullie zijn natuurlijk in onbeperkte gelederen welkom - ik zeg dat nog even voor alle zekerheid.)’.
  Als de dag achter de rug is, doet Reve op 10 januari 1965 verslag aan Josine Meijer. Hij geeft een compleet overzicht van al het genuttigde: ‘Het feest hier (ontvangst, op Zondag 27 december, van alle inwoners van Greonterp-dorp + omliggende hoeven, in totaal 108 mensen) is een groot sukses geworden. Er zijn 95 sigaren opgerookt, 150 sigaretten, en 5 kruiken oude jenever, 1 kruik citroenjenever, 2 kruiken brandewijn, 1 kruik konjak, 30 flessen bier, 60 flessen frisdranken (voor de kinderen), 15 flessen wijn, 2 flessen port, 2 flessen sherry, en 1 fles advokaat opgedronken. Ik denk dat er zoiets als 225 gulden is verteerd tussen 2 uur smiddags & middernacht. We kregen een grote taart van het hele dorp, & zijn toegesproken, namens het dorp door buurman Hofmeyer, & namens de parochie door één van de vijf aanwezige pastoors. Op het laatst gingen vele boeren, stijf en verlegen als ze zijn, na een paar glaasjes, dansen en zingen. Er is geen onplezierig woord gevallen, en er zijn maar 3 glazen gebroken’.
  Ter nagedachtenis aan Nico Verhoeven, deze februarimaand dertig jaar dood, volgen hier twee van zijn gedichten die een toekomstig bloemlezer van Nederlandse poëzie met een gerust hart kan opnemen. Het zijn ‘Het eiland’ en ‘Ik ging een dag uit vissen’ uit de alleen nog antiquarisch te verkrijgen Verzamelde gedichten (De Bezige Bij, Amsterdam 1974):

Het eiland

Terschelling

Het eiland is zich als een ei te moede,
de ruimte staat er als een schaal omheen;
er is geen doelwit om naar toe te spoeden,
men is er heel en moederziel alleen;

men is er kind en die het kind moet voeden,
bebroeden en bevroeden zijn er een;
wie neerhurkt aan het strand van liefdewoeden,
als speleman, vindt spelevrouw en speen.


Dit huwelijk, zo vaderlijk volzwegen,
wat draagt men op de thuisreis er van mee?
Een licht achter een voorhoofd in de regen,
een melodie vol heimelijke wegen,
ontglipt aan de omarming van de zee.
Ontglipt? Een vogel aan het ei ontstegen.

*

'Ik ging een dag uit vissen'

De riemslag in het riet. Opvliegend lover,
vermoedens aan een tijd, een ander voorjaar.
Twee bakens neergezet in grijs gebied,
dat aanrolt met de kracht van het verleden
water.
Het onbegrensde tussen zand en zee.
Nu eens een vijver, dan weer een poel. Een deel
dat stilstaat. Woelen doet alleen het kleine
terloopse sterrelicht eronder. Droesem.
Men houdt het water in een glas. Men slaat
het gade. Of men drinkt de wijn,
en kruist de armen en beraamt een moord.

Uit zeven woorden droeg ik honger aan
voor een goed leven tussen stervelingen.
Uit zeven woorden werden mij gesneden
de smalle wapens voor elk vergezicht.
Uit zeven woorden smeedden wij tezamen
een tafeltaal van brood en vruchtbaar raden
naar wat verborgen bleef in elke dag.
Uit hoeveel lijnen moet ik nu bepalen
de hand, verankerd, aan de hand die roeit?

De bakens van het licht staan zonder gronden.
En wij daartussen zien de meerpaal niet.
Het is een dag waarop het water uitrust
van de gevallen krijgers op haar vlakten.
Een rookpluim van het lipperood der daken
waait langzaam over het verdronken landschap
en dekt het helder dal waarin zij slapen,
- die ingekeerde roepers door de nevel -,
met vlagen toe. Van onbetreden oevers.

*

Abe de Vries,
25 februari 2004